Fiscale aftrek van onderhoudsgelden betaald voor kinderen

Onderhoudsgeld (of alimentatie) is, voor de fiscus, een som geld die iemand regelmatig (vb wekelijks, maandelijks, trimesterieel, halfjaarlijks of jaarlijks) stort aan een verwant of (ex)-familielid die niet zelf voor zijn eigen behoeften kan instaan. Dat onderhoudsgeld kan het gevolg zijn van een beslissing van een Rechter of een akkoord tussen de onderhoudsplichtige en de onderhoudsgerechtigde.

Dus: de onderhoudsgelden die u als gescheiden ouder betaalt voor uw kind(eren), evenals voor uw (ex-)echtgeno(o)t(e) zijn fiscaal aftrekbaar.

1. De fiscus zal deze onderhoudsgelden automatisch aftrekken ten belope van 80% in uw inkomstenbelasting als u aan de wettelijke voorwaarden voldoet.

Deze fiscale aftrek zal enkel resultaat hebben voor uw hoogste inkomstenschijf. Als u immers in deze hoogste inkomstenschijf valt, (deze van 50%) zal u dus van elke 1 000 euro die u aan onderhoudsgeld voor uw kind betaald heeft 400 euro recupereren via deze aftrek.

De fiscus zal immers nadat u deze 1 000 euro ingevuld heeft in vak VIII van uw aangifte 800 euro in mindering brengen en dit wordt dan afgetrokken van uw belastbaar inkomen. U valt in de hoogste schijf : u heeft dus een voordeel van 50 % zijnde dus 400 euro in ons voorbeeld.

2. Wat zijn de voorwaarden om mijn betaald onderhoudsgeld aan te geven ?

U moet gelijktijdig (dus en, en, en – en niet : en/of) aan de volgende voorwaarden voldoen :

2.1 Het onderhoudsgeld dient betaald te worden in uitvoering van een wettelijke onderhoudsverplichting (Burgerlijk Wetboek of Ger.W. ).

Zowel voor kindalimentatie als partneralimentatie dient u steeds het vonnis of de door de Rechtbank gehomologeerde familierechtelijke overeenkomst of EOT te kunnen voorleggen. Zoals hoger gesteld kan u het onderhoudsgeld immers enkel inbrengen of aftrekken als het betaald is ten gevolge van een wettelijke onderhoudsverplichting. Het bewijs hiervan is het vonnis.

Daarom is het ook steeds aangewezen om over het onderhoudsgeld in familiale aangelegenheden niet enkel een overeenkomst te maken maar deze steeds (door uw erkend bemiddelaar in familiezaken) te laten homologeren door de Rechtbank. Dan volgt de verplichting (en dus ook de basis tot aftrekbaarheid) niet meer voort uit “gewone overeenkomst” maar uit een vonnis van de Rechtbank waartegen de fiscus bezwaarlijk tegen kan bewijzen. Dit vergemakkelijkt dus uw bewijsvoering wanneer er dienaangaande betwistingen met de fiscus zouden zijn.

Zo hebben wij ooit eens bemiddeld om een regeling te bekomen in een zaak van een biologische moeder, een minderjarig kind en een stiefvader met wie het kind een aantoonbare bijzondere band had op grond van de regels van het Burgerlijk Wetboek. Voor het kind was deze stiefvader de authentieke vader. Deze vader, die op een bepaald ogenblik gescheiden leefde van de biologische moeder, bekwam in een familierechtelijke overeenkomst een bepaald verblijf met het minderjarig kind en kwam, net als voordien, nog steeds tussen in de kosten voor het kind en betaalde onderhoudsgeld.

Op basis van het vonnis dat de familierechtelijke overeenkomst tussen beide betrokkenen regelde, heeft deze man de betaalde alimentatie en kosten ingebracht in zijn aangifte.

2.2. Diegene aan of voor wie u de alimentatie betaalt mag geen deel uitmaken van uw gezin.

Dit wordt wel eens uit het oog verloren. Zoals reeds beschreven in het deel over de fiscale aftrekbaarheid voor kinderen ten laste kunnen kinderen die niet permanent in het gezin verblijven er toch wel deel van uitmaken. Dit geldt vooral voor studie- of gezondheidsomstandigheden, denken we maar aan de student op Erasmus. Dit kind wordt geacht daadwerkelijk en op duurzame wijze met u samen te wonen en wanneer u dan bijvoorbeeld aan dat kind bepaalde betalingen doet kunnen deze niet als alimentatie afgetrokken worden. U geniet dan enkel van de aftrek voor dit kind ten laste.

Ook wanneer ouders uit mekaar gaan, een familierechtelijke overeenkomst en laten homologeren en daarin bepaalde alimentatie verplichtingen voorzien dan zullen deze betaalde onderhoudsgelden slechts effectief en daadwerkelijk aftrekbaar zijn door die ouder die ze betaald heeft wanneer er een einde is gekomen aan de samenwoonst en het kind niet samen meer met deze betalende ouder ingeschreven is.

2.3. Het onderhoudsgeld of de alimentatie dienen regelmatig betaald te worden.

Dit vloeit voort uit de hoger vermelde en door de fiscus gehanteerde definitie van onderhoudsgeld of alimentatie. Het is namelijk een som die iemand regelmatig betaald op bvb wekelijkse, maandelijkse, trimesteriële enz… basis.

Als u een onderhoudsgeld van 175 euro per maand dient te betalen voor uw dochter dan moet u dat inderdaad stipt maandelijks en geen 3 maanden op voorhand betalen, 2 maanden niets dan weer 175 euro betalen dan terug 350 euro, 2 maanden niets en dan weer een bepaald bedrag. Zulke handelswijze wordt door de fiscus gesanctioneerd : hij zal deze niet aanvaarden als aftrekbare onderhoudsgelden. Ook dit wordt in de praktijk al eens over het hoofd gezien.

Wanneer er echter bvb aanpassingen gebeuren aan het onderhoudsgeld (een verhoging bvb) met terugwerkende kracht en dit wordt bevestigd in een vonnis dan is dat uiteraard een andere kwestie en zijn deze betaalde bedragen wel aftrekbaar.

Een voorbeeld zal dit vlug duidelijk maken :

In een familierechtelijke overeenkomst zijn de ouders overeengekomen dat het onderhoudsgeld voor hun zoon ten belope van 200 euro per maand zal herzien worden uiterlijk op de 16de verjaardag van deze zoon. De ouders praten hierover maar geraken hier niet direct uit en leggen hun probleem voor aan hun erkend familiaal bemiddelaar. Na verloop van enkele maanden geraken de ouders er met hun familiaal bemiddelaar uit en wordt er een overeenkomst opgemaakt die later in een vonnis gehomologeerd wordt waarbij het onderhoudsgeld van de zoon opgetrokken wordt naar 300 euro per maand vanaf diens 16de verjaardag. Op het ogenblik dat het vonnis er is zijn we al 9 maanden verder dan die 16de verjaardag en is er dus een (achterstal ) opgetreden van 9 maanden maal 100 euro onderhoudsgeld of 900 euro. Dit bedrag zal door de onderhoudsplichtige ouder kunnen afgetrokken worden zodra het betaald is aan de onderhoudsgerechtigde.

Als de fiscus hieromtrent bezwaren maakt dan zullen diens objecties gemakkelijk weerlegd kunnen worden door het vonnis voor te leggen waarin de gewijzigde familierechtelijke overeenkomst gehomologeerd werd.

2.4. de betaling van de alimentatie of het onderhoudsgeld dient verantwoord te worden door bewijskrachtige bescheiden.

De betalingen van het onderhoudsgeld dient u in eerste instantie te kunnen bewijzen. Wanneer u betaalt via uw bankrekening is het eenvoudig om hiervan bewijzen voor te leggen. Handgeschreven en ondertekende kwitanties voor onderhoudsgelden die contant betaald zijn, zijn niet meer actueel met andere woorden behoren niet meer in tegenstelling tot 20 à 30 jaar geleden tot de normale praktijk. Wellicht zullen ze door de fiscus betwist worden en zal deze zeggen dat de kwitanties opgemaakt “pour la besoin de la cause”.

Wanneer u een bankoverschrijving kan voorleggen dan heeft u ineens het bewijs dat er daadwerkelijk een overdracht van geld gebeurd is, wat geenszins het geval is bij een kwitantie. Verder zal u uiteraard steeds, en in eerste instantie, het (homologerend vonnis) dienen voor te leggen. Als dat (al dan niet homologerend vonnis) vermeldt dat u ook gehouden bent tussen te komen – voor een deel – in de niet-verblijfsgebonden kosten  voor de kinderen dan kunnen de effectief betaalde bedragen van deze niet- verblijfsgebonden kosten ook effectief fiscaal ingebracht worden door de onderhoudsplichtige ouder.

Het gaat hier meestal over studiekosten (schoolreizen, studieverblijven, bos- en zeeklassen, boeken, speciaal studiemateriaal en kledij, het kot voor de student) als medische kosten (kosten van een operatie, orthodontie) bepaalde kosten van vrijetijdsbesteding. Wanneer de kosten voor een internaat voorzien zijn bij de niet-verblijfsgebonden kosten en het kind gaat effectief naar een internaat en de kosten worden hiervoor betaald dan kan de ouder die hiervoor als onderhoudsplichtige betaald heeft deze kosten ook fiscaal inbrengen.

Het betreft hier dan steeds de onderhoudsplichtige ouder die geen beroep doet op de aftrek voor het kind ten laste.

Over de niet-verblijfsgebonden kosten wil de fiscus hier al wel eens moeilijk over doen, doch in principe zijn deze kosten ook onderhoudsbijdragen, dit vloeit niet alleen voort uit de wet maar ook uit het vonnis.

Zie ook : http://financien.belgium.be/nl/particulieren/gezin/onderhoudsgeld/betaald

3. Bedenkingen met betrekking tot de aftrekbaarheid van onderhoudsgelden

3.1 De aftrek van onderhoudsgeld in hoofde van de onderhoudsplichtige ouder (of partner) geeft uiteraard in principe een belastbaarheid in hoofde van het onderhoudsgerechtigde kind (of ex-partner)

Bij partneralimentatie is dit duidelijk : de alimentatie voor deze ex-partner betaald is aftrekbaar in hoofde van de onderhoudsplichtige voor 80 % en is uiteraard dan ook belastbaar voor diezelfde 80 % in hoofde van de onderhoudsgerechtigde partner. De fiscus behandelt dit, niet ten onrechte, als communicerende vaten.

Ook voor kinderalimentatie of onderhoudsgeld voor kinderen is er in principe een belastbaarheid, doch dit verdient wel enige nuancering :

3.1.1. Onderhoudsgelden voor de kinderen betaald aan de andere ouder dienen aangegeven te worden in hoofde van de kinderen.

De ex-partner zal dus nooit belast worden voor ontvangen onderhoudsgelden van één der kinderen. Welnu het kind heeft hier ook recht op de belastingvrije som. Voor het AJ 2016 ink 2015 bedroeg de normale belastingvrije basissom 7 090 euro en de gecorrigeerde basissom voor lage inkomsten 7 380 euro.

Dit is reeds een aanzienlijk bedrag het is slechts wanneer er onderhoudsbijdrage voor het kind zouden betaald worden boven op dit bedrag dat het kind hier zelf belastingen moet op betalen.

Wanneer er nogal vrij hoge onderhoudsbijdragen betaald worden, dan is het aangewezen best eens na te kijken of dit ook geen (negatieve) invloed heeft op de kinderbijslag.

3.2.2 Ook de bedragen die u stort op de zogenaamde “kindrekening” komen in aanmerking voor aftrek.

Er zijn bepaalde controlekantoren van den fiscus die tegen deze aftrek – ten onrechte- bezwaar maken. De redenering die men dan doet is de volgende : de meeste van deze kindrekeningen staan uiteraard op naam van beide ouders (zoals wettelijk voorzien overigens) en niet op naam van het bewuste minderjarige kind, of van de onderhoudsgerechtigde ouder. Hieruit leidt de fiscus dan af dat u, vermits de rekening ook naam staat van de betalende ouder, dat deze aan zichzelf betaalt. In dat geval stelt de fiscus kan dit niet afgetrokken worden als betaald onderhoudsgeld.

Deze redenering is juridisch gezien niet correct.

De bewuste kindrekening is ingevoerd door de wet van 19 maart 2010 (Wet tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen). Deze wet voorziet dus uitdrukkelijk in de invoering van dergelijke kindrekening door de ouders bij de bank te openen. En deze wet voorziet dat deze uitsluitend dient om de kosten voor de kinderen te betalen.

Welnu wanneer een door de wet voorziene kindrekening ingevoerd wordt door de ouders en dit wordt door de Familierechtbank gehomologeerd dan kan de fiscus, naar onze mening, geen enkel bezwaar invoeren tegen de aftrekbaarheid van de bedragen die betaald zijn door de onderhoudsplichtige ouder. Het is uiteraard wel zo dat in dat geval ook de onderhoudsplichtige ouder zich dient te voorzien van de bewijskrachtige bescheiden, zoals hoger reeds uiteengezet.

4. Conclusie i.v.m. de aftrekbaarheid van onderhoudsgelden.

De fiscale aftrek van betaalde onderhoudsgelden (en niet-verblijfsgebonden kosten) voor kinderen is juridisch en fiscaal gezien logisch en transparant. De meest gemaakte fout is de fiscale aftrekbaarheid van onderhoudsgeld cumuleren met het fiscaal ten laste nemen van dezelfde kinderen.

Het zal u ondertussen wel duidelijk geworden zijn dat dit volledig uit den boze is.

Dit is trouwens ook een vaak voorkomende fout bij het fiscaal co-ouderschap.