Over verblijfsgebonden en niet-verblijfsgebonden kosten voor de kinderen

Zolang papa en mama (of mama en mama; of papa en papa) samen zijn, dragen zij als ouder samen alle kosten voor de kinderen en een groot deel van die kosten worden in natura betaald. De kosten voor voeding en bewoning worden door de ouders samen gedragen en betaald en de kinderen krijgen dit gewoon ter beschikking gesteld.

Andere kosten worden door de ouders samen betaald uit de gemeenschappelijke pot, zoals gezondheidskosten of kosten voor school. We kunnen ons perfect voorstellen dat er voor kinderen heel wat betaald dient te worden en dat dat een hoop geld kost.

Wijlen mijn grootmoeder sprak destijds er over dat een kind een huis zou kosten en het is maar met het opgroeien van onze eigen kinderen dat we gezien hebben dat het wellicht hier over een groot huis gaat om niet te zeggen een chique villa 🙂 .

De vraag is dan ook wat we gaan doen met al deze kosten of wat daarmee dient te gebeuren op het ogenblik dat de ouders niet meer samenwonen.

Wanneer er dan een regeling dient getroffen te worden voor de kosten van de kinderen en welke kosten er dan geregeld worden tussen de ouders welnu die kosten vallen uit elkaar in twee verschillende soorten.

In de praktijk worden daar soms heel wat ingewikkelde benamingen voor gebruikt (zoals buitengewone kosten, bijzondere kosten, buitengewone-bijzondere kosten, al dan niet verblijfsoverschrijdend enz.) zodat het niet altijd even duidelijk is wat er nu eigenlijk wel of niet mee bedoeld wordt.

Als we er even over nadenken zijn er maar twee soorten kosten: De verblijfsgebonden kosten enerzijds en de niet-verblijfsgebonden kosten anderzijds.

De verblijfsgebonden kosten

Deze kosten worden bepaald door het verblijf van de kinderen bij de ene dan wel bij de andere ouder en worden (in natura) ter beschikking gesteld door de ouder bij wie ze verblijven.

Inderdaad wanneer het kind bij papa of mama is zijn er de kosten voor voeding, de woonst, verwarming, water enz. waarvan het kind gewoon gebruik kan maken.

Het kind maakt hiermee gebruik van en dit vertegenwoordigt een “kostprijs” in hoofde van het kind.

Wanneer nu de kinderen of het kind niet evenveel tijd doorbrengt bij de ene dan wel bij de andere ouder en/of wanneer het inkomen van de ouders niet in dezelfde lijn ligt dan dient hiervoor een compensatie berekend te worden via het onderhoudsgeld.

Hoe dat precies in de praktijk gebeurt kan u lezen op de pagina over de berekening van het onderhoudsgeld.

Niet-verblijfsgebonden kosten

Alle andere kosten die dus geen zuivere verblijfsgebonden kosten zijn, worden niet-verblijfsgebonden kosten genoemd en het zijn deze kosten die men soms ook wel eens bijzondere, buitengewone, verblijfsoverschrijdende of verblijfsoverstijgende kosten noemt.

Deze kosten hebben niets te maken met het verblijf van het kind bij één van de ouders en moeten hoe dan ook voor het kind of voor de kinderen gemaakt worden.

Dit zijn onder andere de kosten voor gezondheid, opleiding en ontspanning voor de kinderen (schoolkosten, schoolboeken, dokterskosten, apothekerskosten, orthodontie, de hobby’s enz.).

Of het kind nu evenveel tijd doorbrengt bij zijn papa als bij zijn mama of wanneer het amper naar één van de ouders gaat, deze kosten moeten gemaakt en betaald worden.

In de praktijk geven we graag het voorbeeld van een kind in een week/week regeling zit of een kind met een vader die op een boorplatvorm in de Noordzee werkt en maar af en toe op het vaste land is: die concrete verblijfsregeling heeft niets te maken met de niet-verblijfsgebonden kosten waarvoor hoe dan ook gezorgd moet worden.

Soms betaalt de ene ouder die kosten en de andere ouder andere kosten en ook hier vindt dus een verdeling plaats tussen de ouders van deze niet-verblijfsgebonden kosten.

Deze kosten dienen op één of andere wijze tussen de ouders verdeeld te worden.

Dat is niet altijd 50/50 maar het kan ook geschieden in functie van de draagkracht (inkomsten of mogelijkheden van de ouders).

In de praktijk zijn er niet alleen verdelingen van 50/50 gangbaar (die feitelijk alleen maar verdedigbaar zijn wanneer de inkomsten of mogelijkheden van beide ouders ongeveer gelijk zijn, er zijn ook 60/40, 65/35 regelingen, enz…

Er zijn in principe zoveel regelingen mogelijk als er inkomstenverschillen zijn tussen de ouders.

Omschrijf het duidelijk in de overeenkomst

Om misverstanden en communicatiestoornissen te vermijden dient er in de familierechtelijke overeenkomst heel duidelijk omschreven te worden welke kosten onder andere bedoeld worden met de verblijfsgebonden en de niet-verblijfsgebonden kosten.

Zoals in het voorbeeld hierna beschreven over de kledij zal blijken dat het inderdaad nodig is dat alles nauwgezet omschreven wordt in de overeenkomst.

Dit geldt ook voor schoolkosten: welke schoolrekeningen behoren tot de verblijfsgebonden kosten en welke worden gedeeld.

Zijn het alle schoolkosten of zijn het alleen maar de kosten voor studieboeken, voor het openbaar vervoer en voor bepaalde schooluitstappen of later het inschrijvingsgeld op de universiteit of de hogeschool en het kot die tot de niet-verblijfsgebonden kosten behoren en die derhalve verdeeld worden?

Ook voor de kosten voor gezondheid geldt dit:

Is het bezoek aan de huisarts of de pijnstiller bij de apotheek om de hoek een verblijfsgebonden of een niet-verblijfsgebonden kost?

Het zijn allemaal zaken die duidelijk moeten uitgewerkt worden en die ervoor zorgen dat uiteindelijk conflicten naar de toekomst vermeden kunnen worden.

Vooral wat de onkosten voor kledij betreft zijn er heel wat discussies.

Er zijn ouders die overeenkomen om de aankoop van alle kledij samen te doen en te delen en samen de kleding te gebruiken.

In die situatie is kledij dan uiteraard een niet-verblijfsgebonden kost.

Andere ouders hebben een dergelijk smaakverschil of een verschillende bestedingswijze dat ze elk afzonderlijk dezelfde kleren voor hun kinderen kopen zodat de kinderen bij elke ouder een eigen garderobe hebben.

In dat geval moet duidelijk omschreven worden dat alle kledij behoort tot de verblijfsgebonden kosten en dat die kosten volledig eigen zijn en dat de ouders elk er een eigen kleerkast op nahouden.

Discussies en moeilijkheden zijn er dan uiteraard bij de wissel wanneer de kinderen niet de juiste kleren aan hebben of alle kleren weer bij hebben als terugkomen en waarbij er uiteindelijk heel veel verantwoordelijkheid gelegd wordt bij de kinderen.

 

Een voorbeeld zal dit duidelijk maken: de kinderen gaan naar vader met de kledij van moeder en moeten er dus voor zorgen dat zij wanneer zij terug naar moeder gaan ofwel de kledij van moeder terug aan hebben ofwel de kledij van moeder bij hebben en in kledij van vader naar moeder gaan en later moet dan die kledij van vader terug bij vader geraken, volgt u nog?

Het is soms hopeloos ingewikkeld en de vraag is of dat kinderen hiermee belast dienen te worden.

De eerste vraag die men dan soms stelt aan kinderen als ze terugkomen bij de andere ouder bij wie ze in het weekend bijvoorbeeld niet verbleven hebben, is dan niet: “Hoe was het bij papa of mama?” maar wel “Je hebt al uw kleren toch bij?” “Je hebt toch niets vergeten?”

Tussen deze twee mogelijkheden ligt soms nog een derde mogelijkheid: schoenen en jassen gaat men financieel verdelen (die kunnen door kinderen in de groei toch nauwelijks versleten worden) en alle andere kledij wordt dan door de ene dan wel door de andere ouder zelf aangekocht.

In dit geval moet men dus duidelijk noteren dat de schoenen en de jassen bij de niet-verblijfsgebonden kosten horen en dat de andere kledij tot de verblijfsgebonden kost gerekend dient te worden.

Het spreekt vanzelf dat dit voor de meeste ouders (die terzake volslagen leken zijn) te hoog gegrepen is om dit allemaal zelf te doen.

Natuurlijk is er uw familiale bemiddelaar die u terzake met raad en daad kan bijstaan en die ervoor kan zorgen dat ook de verdeling van de kosten op maat gesneden wordt van de werkelijke behoefte van die welbepaalde ouders en hun kinderen.

En een familiaal bemiddelaar die die specifieke regeling kan koppelen aan de fiscaal meest optimale regeling.