Grootouders en hun kleinkinderen bij de scheiding van de ouders

Het nut van een goede band tussen grootouders en hun kleinkinderen zal wellicht wel door niemand nog in twijfel getrokken worden.

Grootouders betekenen voor hun kleinkinderen een belangrijke bron van informatie: kinderen zijn erg leergierig naar alle familiale verhoudingen, naar de geschiedenis van hun eigen ouders, deze van hun grootouders, van ooms en tantes en meer bepaald hoe het er altijd aan toegegaan is.

De grootouders plaatsen de kinderen in de continuïteit van de generaties.

Zo zullen grootouders bepalend zijn in de overdracht van normen en waarden aan hun kleinkinderen.

Komen de kleinkinderen in de puberteit en worden ze later jongvolwassenen dan zijn het veelal de grootouders die de kleinkinderen de nodige vrijheid bieden om hun eigen persoonlijkheid te ontwikkelen en gaan soms tussenkomen en/of bemiddelen wanneer er wrijvingen zijn tussen de kleinkinderen en hun ouders.

Vermits de grootouders een zekere afstand hebben tot de dagdagelijkse zorg voor hun kleinkinderen geeft hun dit ook mogelijkheden om op een andere wijze bij hun kleinkinderen betrokken te zijn.

Voor de grootouders betekent dit dat door het contact met hun kleinkinderen te onderhouden zij op hun manier jong blijven, het contact met de jongere generaties dus niet verliezen en zich niet opsluiten in een cluster van generatiegenoten.

Het blijft hun nieuwsgierigheid prikkelen en ze kunnen gemakkelijker mee “met hun tijd”.

Wellicht zullen zij de nieuwste technologische ontwikkelingen (smartphones, apps enz.) vernemen en gedemonstreerd krijgen via hun kleinkinderen eerder dan via de eigen kinderen of hun generatiegenoten.

Ook door de kleinkinderen wordt de band als positief ervaren en de meeste kleinkinderen hebben een goede band met hun grootouders en genieten vooral van hun onvoorwaardelijke liefde en de afstand die zij kunnen nemen naar de persoonlijke thuissituatie van hun kleinkinderen.

Er zijn genoeg studies die zulks bevestigen en hier moet niet meer aan getwijfeld worden.

De vraag is dan ook wat er gebeurt wanneer de band tussen grootouders en kleinkinderen door externe factoren (bijvoorbeeld de ouders van deze kleinkinderen) verhinderd wordt.

Wettelijke basis (Art. 375bis Burgerlijk Wetboek)

Ook de wetgever is uitgegaan van het belang van een goede band tussen de grootouders en kleinkinderen en heeft derhalve in art.375bis Burgerlijk Wetboek deze band bevestigd: de grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden.

Dit houdt in dat in tegenstelling tot anderen die moeten aantonen dat zij een bijzondere affectieve band met het kind hebben, de grootouders wettelijk verondersteld worden een bijzondere affectieve band met hun kleinkinderen te hebben en dat het in het belang is van deze kleinkinderen dat zij contact kunnen onderhouden met hun grootouders.

In principe komt het er op neer dat wanneer de ouders de band en het contact tussen de grootouders en kleinkinderen betwisten, de ouders zullen dienen aan te tonen dat het contact tussen grootouders en de kleinkinderen niet in het belang zou zijn van de kleinkinderen.

In de praktijk zien we meestal dat wanneer er problemen zijn tussen de ouders en (sommige) grootouders dit conflict doorwerkt naar het contact tussen grootouders en kleinkinderen en dat de ouders dan trachten dit contact te verhinderen.

Familiale bemiddeling

Ook voor wrijvingen en conflicten tussen ouders en grootouders i.v.m. hun (klein-)kinderen blijkt familiale bemiddeling meestal de meest aangewezen wijze om te trachten tot oplossingen te komen vooral dan in het belang van de betrokken (klein-)kinderen.

Een procedure voeren voor de Rechtbank blijft een (min of meer) beschaafde vorm van oorlogvoering en doet de betrokkenen in hun standpunt verharden zodat op het einde van de rit de Rechtbank via een vonnis de zaak dient te trancheren.

Het achterliggend conflict tussen ouders en grootouders dat meestal aan de basis ligt van het conflict over het contact met de kleinkinderen wordt meestal niet opgelost en zal wellicht door de procedure nog verhevigd zijn.

In een familiale bemiddeling zullen wij trachten ouders en grootouders op één of andere wijze terug “on speaking terms” te brengen, hun communicatie terug op gang te brengen en te verstevigen zodat in een volgende fase het mogelijk wordt voor grootouders en hun kinderen terug te praten over het belang van de wederzijdse band met de kleinkinderen.

In de meeste gevallen kan daardoor een regeling tot stand gebracht worden die vooral door de kleinkinderen ten zeerste geapprecieerd wordt en die de rust in de families doet terugkeren.

Ook families in hun geheel, en dit is niet beperkt tot de rechtstreeks betrokkenen, lijden onder het conflict dat er heerst tussen bepaalde familieleden.

Het hoeft zelfs niet altijd een conflict te zijn, ook gewone wrijvingen of een gebrek aan contact hebben hun weerslag op alle leden van de familie.

Daarom dat bemiddeling hier aangewezen is ook nog om, in dit geval, een regeling op maat te bekomen.

De scheiding van de ouders en de gevolgen hiervan op kleinkinderen en grootouders

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat zeker in geval van scheiding de grootouders een belangrijke steun kunnen betekenen voor hun kleinkinderen doch ook dat door de echtscheiding het contact tussen grootouders en hun kleinkinderen kan veranderen en in een aantal gevallen verbroken kan worden.

Uit onderzoek blijkt dat kinderen van gescheiden ouders veel meer dan kinderen met samenwonende ouders geen contact meer hebben met hun grootouders.

Zo hebben meer dan 10% van de kinderen van gescheiden ouders geen contact meer met de grootouders langs vaders kant: ze zien deze nooit (meer).

In dergelijke gevallen nemen de contacten met de grootouders langs moeders kant gewoonlijk toenemen omdat die dan een groter deel van de zorg en de opvang van hun kleinkinderen opnemen.

We zien ook dat wanneer ouders in een situatie zitten van een gelijkmatig verdeeld verblijf (bilocatieregeling of verblijfsco-ouderschap) er meer contact is tussen de grootouders en hun kleinkinderen dan wanneer de ouders niet gescheiden zijn en nog samenwonen.

In dat geval gaan de grootouders langs beide kanten de zorg opnemen en inspringen voor hun kleinkinderen.

Wat de kinderen betreft: na een scheiding van hun ouders vindt nog altijd een meerderheid van de kinderen dat de relatie met hun grootouders dezelfde gebleven is, een 10% vindt dat de relatie met de grootouders verslechterde terwijl een 30-tal% vindt dat de relatie met de grootouders langs moeders kant verbeterde en 20% bij de grootouders langs vaders kant.

(voor gegevens van het onderzoek zie : www.scheidinginvlaanderen.be)

Omdat de (echt)scheiding van de ouders de band met de grootouders kan doen kantelen en veranderen vinden wij het aangewezen dat wij als familiale bemiddelaars ook tijdens de bemiddeling gaan werken rond de band tussen grootouders en kleinkinderen wanneer wij in de bemiddeling signalen opvangen die erop zouden kunnen wijzen dat door de nakende scheiding de band tussen kleinkinderen en grootouders onder druk kan komen te staan of dat dit reeds door de feitelijke scheiding gebeurd is.

In dat geval kunnen wij ook beslissen over te gaan tot het horen van de (klein-)kinderen om het volledige deel van de familiale (verticale) afstammingsband in kaart te kunnen brengen.

Het belang van de regeling en aandacht voor die specifieke band tussen grootouders en kleinkinderen in de familierechtelijke-of ouderschapsovereenkomst kan daarom niet genoeg benadrukt worden, het kan in veel gevallen de sluitsteen en de hoeksteen zijn van heel de regeling rond de kinderen.

En in vele of zelfs in de meeste gevallen hebben de cliënten in onze bemiddelingspraktijk hiervoor zelf de nodige aandacht.

Dikwijls kunnen we, als familiale bemiddelaar, met een meer dan goed gevoel vaststellen dat ouders zelf spontaan met suggesties komen om dat contact tussen kleinkinderen en grootouders te bestendigen en soms ook nog uit te breiden.

Hoe dikwijls gebeurt het niet dat de grootouders bij hun thuis of bij hun eigen kind de kleinkinderen opvangen en de andere ouder hen bij de oma of de opa (langs de andere zijde van de familie) gaat ophalen en oprecht dankbaar is voor de hand- en spandienst die deze grootouders voor zijn of haar kinderen leveren.

Zo komen we regelmatig gevallen tegen waar de grootouders langs beide kanten een bijdrage leveren in de opvang van de kleinkinderen en dat de ouders erover waken dat, in het belang van hun kinderen, deze opvang behouden kan blijven en wat vooral zeer belangrijk is: dat deze opvang behouden blijft in de vorm waarin deze tot voor de scheiding van de ouders georganiseerd werd.

In dat geval verandert er alleszins op dat punt niets voor de kinderen en dat is iets waardoor zij meer stabiliteit krijgen in een onzekere periode in hun leven.