Het nieuwe erfrecht

Het is een publiek geheim dat op het kabinet van het Ministerie van Justitie ijverig gewerkt wordt aan een zoveelste hervorming van het Recht.

Ondertussen zijn we al een aantal Potpourri-wetten verder en de kwaliteit van al dit legistiek werk is niet altijd even gelijk en een aantal een regels die de zaken zouden moeten vereenvoudigen hebben in de praktijk een tegenovergesteld effect.

Er wordt thans ook gewerkt aan een hervorming van het erfrecht en de krachtlijnen hiervan worden stilaan duidelijk.

We besteden hier toch wel graag aandacht aan daar er in de familiale sfeer vaak conflicten ontstaan over nalatenschappen, vooral wanneer de erflater (degene die overleden is en wiens nalatenschap derhalve is opengevallen) kinderen uit verschillende relaties gehad heeft en dan daarbovenop zelf wellicht nog eens als plus ouder gefungeerd heeft ten aanzien van niet-biologische kinderen.

Het is vooral in die situaties dat familiale bemiddeling een oplossing blijkt te zijn daar in veel gevallen de diverse erfgenamen mekaar amper of zelfs niet kennen.

Dan kan de bemiddelaar zijn natuurlijke rol als bruggenbouwer opnemen.

Daarom dat we thans even ingaan op de te verwachten wijzigingen. Het is thans nog niet duidelijk wanneer de teksten er zullen zijn en zeker nog niet wanneer ze in de Kamer besproken worden en goedgekeurd. De definitieve teksten (het wetvoorstel dus) verwachten we ten vroegste eind 2016, begin 2017.

Klemtoon op de samenleving

Het nieuwe erfrecht legt de nadruk op de samenleving, dit wil zeggen dat men op één of andere wijze de aanwinsten van de (al dan niet langstlevende) partner beschermt.

We schreven inderdaad de aanwinsten van de (al dan niet langstlevende) partner omdat men wellicht voor de verschillende samenlevingsvormen (huwelijk, feitelijk of wettelijk samenwonen) éénzelfde model voorziet tijdens en na beëindiging van de samenleving.

Met de aanwinsten bedoelt men: dat wat verworven werd tijdens de relatie, wat partners tijdens hun relatie samen hebben opgebouwd dat zal men dan bijzonder beschermen.

Hier wordt wellicht geen onderscheid meer gemaakt tussen gehuwden, wettelijke en feitelijke samenwoners.

De langstlevende kan niet meer in de kou gezet worden wat nu nog regelmatig gebeurt bij een feitelijke samenwoonst (zelfs bij wettelijke samenwoonst) en ook nog bij een scheiding van goederen.

Het erfrecht van de langstlevende partner op het eigen vermogen van de andere partner wordt beperkt

In tegenstelling tot het eerste punt speelt hier de omgekeerde beweging.

Waar men in het eerste punt de (langstlevende) partner wil beschermen tegenover de kinderen, zal men hier het eigen vermogen van de vooroverleden partner willen beschermen ten gunste van al diens kinderen (eventueel uit vorige relaties).

De bescherming gebeurt dus in twee richtingen:

Voor wat betreft het opgebouwde vermogen (tijdens de relatie) zal er een duidelijke tendens zijn om de partners te beschermen tav hun (al dan niet gezamenlijke) kinderen.

Wat betreft het eigen vermogen van elke partner krijgen de eigen kinderen voorrang op de andere partner.

Verandering van de erfrechtelijke reserve (verhoging van het beschikbaar deel)

De reserve (of het voorbehouden deel) is dat deel van zijn nalatenschap waarover de erflater niet zelf kan beschikken maar dat aan diens kinderen voorbehouden is.

Deze wettelijke reserve is thans geregeld in functie van het aantal kinderen dat in de nalatenschap betrokken is.

Bij één kind is de wettelijke reserve (of het voorbehouden deel) 1/2de, bij twee kinderen 2/3de, bij drie kinderen 3/4de enzovoort.

Dit wil zeggen dat iemand met vier kinderen zijn kinderen maar mag “onterven” voor 1/5de en dat dus 4/5de minstens aan deze kinderen in gelijke delen moet toekomen als zijnde hun wettelijke reserve.

Het deel waarover de erflater zelf kan beschikken (in ons voorbeeld 1/5de) noemt men het beschikbaar gedeelte en over dit deel kan de erflater vrij beschikken en zijn kinderen dus onterven.

Vandaar de uitspraak in de volksmond dat niemand zijn kinderen nooit (volledig) kan onterven.

Er was al lang een strekking in de rechtsspraak en de rechtsleer die vond dat de wettelijke reserve (het deel dus dat de kinderen toekomt) beperkt moest worden, ja zelfs volledig afgeschaft, om de erflater meer vrijheid of zelfs volledige vrijheid te kunnen laten om zijn erfenis te regelen.

Naar een volledige afschaffing van de wettelijke reserve zou men echter niet gaan.

Volgens de laatste berichten zou er voor de erfgenaam of de erfgenamen steeds de helft van de nalatenschap gereserveerd blijven, de andere helft is volledig beschikbaar voor de erflater (met een mooi Latijns woord ook wel eens “decujus” genoemd).

In dat geval is het beschikbaar deel voor de erflater steeds gelijk (de helft dus) ongeacht het aantal kinderen.

Dus : steeds 50% beschikbaar en 50% voorbehouden.

Geen verschil meer tussen roerende en onroerende goederen

Ons erfrecht dateert in grote lijnen nog van 1804 (de Code Napoléon) die een erfrecht codificeerde van een – in hoofdorde – agrarische samenleving.

In deze agrarische samenleving werd uiteraard en vanzelfsprekend een groter belang toegekend aan onroerende goederen dan aan roerende goederen.

Dit geeft – nog steeds, vergeten we het niet – een aantal verschillen in de behandeling van roerende en onroerende goederen.

Deze verschillen zouden afgeschaft worden.

Tevens zou men de waardering in goederen in natura (waarbij men uiteindelijk moet gaan ruilen – ook typisch voor een landbouwsamenleving ) afschaffen en vervangen door de waardering in geld van de diverse roerende en onroerende goederen.

Moet er bijvoorbeeld rekening gehouden worden met een schenking (van een onroerend goed of bijvoorbeeld in geld) dan zal men de tegenwaarde nemen op datum van schenking met een uniforme indexatie naar het heden, en daarop zal men dan de nalatenschap gaan waarderen.

Soepelere regels i.v.m. erfovereenkomsten

Op dit ogenblik geldt er nog steeds een absoluut verbod om overeenkomsten te maken over een nalatenschap die nog niet opengevallen is.

Dit brengt met zich mee dat noch bijvoorbeeld de kinderen noch de toekomstige erflater overeenkomsten kunnen maken wat er later zal gebeuren met de nalatenschap en hoe zij die zullen regelen.

Dergelijke overeenkomsten over een nog niet opengevallen nalatenschap zijn absoluut nietig.

Men kan dus op dit ogenblik hier zoveel overeenkomsten over maken als men wil zij hebben – juridisch gezien – niet de minste waarde.

Blijkbaar is het de bedoeling ook hier verandering in te brengen en de nodige soepelheid aan de dag te leggen tav erfovereenkomsten.

Men gaat wellicht specifieke overeenkomsten aanvaarden, waar bijvoorbeeld de vader of de ouders iets specifiek regelen met één van hun kinderen.

Een algehele erfovereenkomst (hiermee wordt bedoeld een overeenkomst die handelt over de volledige nalatenschap) zou verboden blijven, tenzij alle erfgenamen en andere betrokkenen hierin zouden tussenkomen.

In ons voorbeeld van hierboven kunnen de ouders met al hun kinderen (gesteld dat er geen andere erfgenamen begunstigd worden) een overeenkomst sluiten over alle aspecten van de nog open te vallen nalatenschap.

Op voorwaarde dat alle erfgenamen en betrokkenen tussenkomen. Dit wil dus zeggen dat de overeenkomst getekend dient te zijn door de erflater(s) en de kinderen.

Besluit i.v.m. het nieuwe erfrecht

Bij gebreke aan glazen bol weten we dus nog niet wat er precies uit de bus gaat komen. Deze bijdrage werd geschreven in de loop van september 2016. Men zou dit najaar de teksten reeds verwachten alhoewel wij vermoeden dat dit redelijk optimistisch is.

We zien wel wat er uit de bus komt doch aan de hoger vermelde krijtlijnen zal wellicht niet (veel) meer getornd worden.

Positief lijkt ons te zijn dat er erfovereenkomsten kunnen opgesteld worden.

Dit voorkomt de koude douche van het testament voor bepaalde erfgenamen en draagt er ook zorg voor dat in de familiale sfeer bijvoorbeeld ouders het gesprek over hun nalatenschap kunnen aangaan met al hun kinderen en ervoor zorg kunnen dragen dat er een specifieke verdeling van hun vermogen uit de bus kan komen waar rekening kan gehouden worden met specifieke noden van kinderen maar ook specifieke omstandigheden, wanneer er bvb een gehandicapt kind is.

Hierdoor wordt de communicatie binnen de familie gestimuleerd en worden wellicht conflicten in de toekomst vermeden wanneer éénieder hiermee akkoord kan gaan.

Wellicht brengt dit met zich mee dat de familiale bemiddelaar tussen kan komen in het kader van deze erfrechtovereenkomsten en niet meer later na het overlijden van de erflater wanneer het kalf in vele gevallen al verdronken is en de familie emotioneel op apengapen ligt en het conflict reeds ontstaan is.

De familiale bemiddelaar krijgt nu de kans (wanneer hij hier uiteraard toe aangesteld wordt) om bij leven van bijvoorbeeld de vader diens nalatenschap te regelen in samenspraak, dialoog en verstandhouding van al zijn kinderen (uit welke relatie dan ook geboren) en van al zijn stiefkinderen en mogelijke andere erfgenamen.

Hier ligt de belangrijke taak van de familiale bemiddelaar om zijn/haar bijdrage te leveren aan het creëren van rust en vrede in de families en om vooral ook zorg te dragen voor duurzame oplossingen: dit houdt in dat een duurzame vrede gecreëerd kan en dient te worden.

Ontegensprekelijk is de beperking van het erfrecht van de partner op het eigen vermogen van de andere partner te verdedigen om de belangen van alle kinderen van de erfgenaam te beschermen.

De afschaffing van het verschil tussen roerende en onroerende goederen lijkt ons de logica zelve en de waardering in geld in plaats van in natura is ook aangepast aan de huidige economische en sociologische omstandigheden.

Wat betreft het erfrecht van de partners met de nadruk op hetgeen wat er tijdens hun relatie werd opgebouwd en de bescherming hiervan, wensen we toch even de definitieve teksten af te wachten.

Er is reeds geruime tijd een tendens waar te nemen bij de wetgever, doch ook in de rechtsspraak en de rechtsleer om een aantal onderscheiden tussen feitelijke en wettelijke samenwoonst en het huwelijk te doen vervagen.

Wanneer men naar een soort van gezamenlijk vermogen streeft dat zou gelden voor feitelijk samenwonenden en wettelijk samenwonenden dan komt met zeer dichtbij het idee van een gemeenschappelijk vermogen zoals dat geldt in het wettelijk stelsel (een scheiding van goederen van voor het huwelijk gecombineerd met een stelsel van gemeenschap van aanwinsten tijdens het huwelijk).

De vraag is wat men dan zal doen met personen die geopteerd hebben voor een scheiding van goederen: in dit systeem is het erfrecht van de langstlevende beperkter, er is overigens geen gemeenschap in dat stelsel.

De vraag is ook of men een soort van “gezamenlijk vermogen” mag opdringen aan wettelijke en feitelijke samenwoners die dat wellicht niet verkiezen.

Men vergeet soms dat mensen zeer bewust kiezen om niet te huwen om juist geen gemeenschap tot stand te brengen en de beide vermogens volledig uit mekaar te houden op een wijze die nog strikter is dan bij een scheiding van goederen.

Men verliest ook wel eens uit het oog dat mensen er ook wel eens bewust voor kiezen om wel te huwen: zij wensen juist niet alleen een intieme maar ook een economische symbiose tot stand te brengen met een gemeenschap van goederen. Voor gehuwden is daar ook nog aan verbonden dat er een vorm van solidariteit speelt tijdens het huwelijk maar ook na het huwelijk: de behoeftige ex-partner heeft in principe recht op een zekere tegemoetkoming van de economisch sterkere ex-partner na echtscheiding.

Men verliest wel eens uit het oog dat onder andere door deze solidariteitsgedachte een aantal mensen uit de sociale (zekerheid)en sociale bijstand gehouden worden wat niet het geval is bij feitelijke en wettelijke samenwoners die (in vele gevallen zeer bewust) deze onderlinge solidariteit afwijzen en in vele gevallen de financiële gevolgen van hun relatiebreuk op de zwakke partner zullen afwentelen op de gemeenschap.

We wachten ondertussen de teksten af en we houden u uiteraard op de hoogte !

Laatste aanpassing: 2 september 2016